Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De schel klaagde na, zaagrig pien-pien, en door de opene deur zwatelde warrig lawaai, overscheerd door het ijzeren rad van de koektent.

De lippen der vrouw achter de toonbank muraden in trekkend geprevel. De handen wreven houtrig van doen, de oogen onrustig, doordwaalden den winkel, bleven sufferig staren naar 't vrouwshemd aan de overzij met de uitloopende lekstreep. Dan begon ze zachjes te schreien zonder reden, zonder visie van de doodkist zonder smart. Buiten was 'n zonderling oogenblik stilte, geen muziek, geen gelal, geen geslier van het ijzeren rad — éven 'n gaping — Het kirrend gesnerp van het lampdopje soesde alleenig in den droom van winkeltjes-dingen — blouses — blouses — en vrouwshemden — die met 't kantje — watte lekstreep — hoe komt 'r die lekstreep — nou maar die boordjes — en de sigaren — wattè walm — toe hier zoo gezeten — en de bloote billetjes — enne de beentjes — enne 't zuur langs 't mondje op 't slabbetje — enne de lippies an je borst — enne de kom met de spons — enne tusschen de beentjes poeieren — met meel tusschen de liesies — enne 't geknijp van de handjes — de vingertjes — enne de toonbank vlak bij met de

Sluiten