Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer passen hup-hup en kwakken van voeten en in rustigen lol onder de lamp de boer op de klompen, die zat van drank lallend de maat sloeg met pauwveer, genekt, maar toch blauw, groen en goud...

Dan was 't pauze, ging rond de violist met 'n bordje en Sien, die achter gestaan had, kwam weer bij 't buffet. Haar gezicht wreed en norsch, lang van trek, met 'n mond die tot snauwen vergroeid leek — daarboven licht dons van 'n snor, werd van bleeke verwoedheid, nu ze Truus zag, suffig en huilend bij Engel. „Wat mot zij hier," snauwde ze 'r man toe: „wat

motten de mènschen wel denken!

„Dat zeg 'k 'r ook," stotterde Engel: „dóé 'r wat

tegen! ..."

Truus geleund tegen de schenkbank, wreef kurkig de magere polsen, begon weer te denken, nu de muziek

even zweeg.

qj 0j» —f klaagde ze fluistrend: „... Engel ze lééft!..."

„Wat klèts je! Ruk op! Wat mot je!", zei Engel ruwer omdat Sien 'm kwaadaardig ankeek.

„Ze leeft in d'r kist..."

Een vloek van verschrikking ontknerste den mond van den boer — Sien schokte op.

Sluiten