is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine verschrikkingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Z'n heesche stem verschrikte 't kind.

„O, oome," begon ze te huilen.

„Nou diè nog! Hou je bek!", snauwde hij, hooger

houdend de lamp.

Het licht overschuimde de witte plek van de kist, beschijnend 'n tip van de muts en 'n schouder in wit. Het gelaat zag-ie niet. Angstzweet beperrelde z'n voorhoofd — vloekend tastte-die achteruit, meenend geluid in de kist te hooren. Het was het flard van 't behang door de trekking der deur zacht-bewogen, dat tegen de deksel schuurde. Truus met bevende handen, verschrikt door z'n aarzien en vloeken, drensde opnieuw: . O! ... O! ... As ze nou lééft!... O! O!..." In kolkende drift, vaal-bleek in den schijn van de lamp, keerde Engel zich om, uitraspend de woorden:

Hou je smoel! ... Halve gÈLre!... In 'n gesticht most je wezen!... Met je stomme gegrien!... Mot 'k de lamp uit me pooten laten vallen!... Wat

dee je d'r an!"

De deur, dichtgevallen, trok-ie weer open, luistrend, en op den drempel trachtte-ie in de kist te kijken. Het was te ver af. Plomp dee-ie 'n pas vooruit, nóg een, hard-klossend met de klompen, in zottelijk pogen 't onzichtbre te verschrikken.