Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In vol zonlicht van rijken nazomer straalt, als van puur goud, een tuin; half boomgaard, half bloementuin, verglanzend met een verschiet van goud-groene weiden en vijvers waarin zwanen zwemmen en waarachter een burcht met vele torens zich teekent tegen het in goud opgaand blauw der lucht. Een groote, met rijpe vruchten beladen appelboom spreidt van uit het midden des tuins zijn kronkelige takken naar alle richtingen. Voor den ruwen stam een troontje van drie treden onder een purperkleed en waarop twee gouden romaansche zetels. Een klok slaat: twee teere tonen als stijgend uit het hart der aarde. Een wit vlindertje komt het tooneel overgevlogen, fladdert onzeker van bloem tot bloem en zet zich op een groote zonnebloem eindelijk neder.

Meisjesstemmen

van achter de schermen.

Waar is hij?

Waar vloog hij heen?

Voor ons uit, zie-je niet?

Eerste meisje,

binnensnellend en in de handen klappend. Ja, ja, daar gaat hij, ik zal 'm vangen.

Tweede meisje,

springt vooruit.

Ik heb 'm al.

Derde meisje,

haalt haar in.

Mis, mis, ik ben er 't eerst. Hij is voor mij!

Ze staan alle drie om de zonnebloem; 't vlindertje beweegt de vleugels.

Sluiten