Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alma,

met de muts groetend en buigend Verliefd en een droomer. Om u te dienen, freules... Immers, de meeuwen, niet zonder reden,

Zwaaien nu zoo vroolijk krijschend over de golven;

Niet zonder reden stijgt de leeuwerik Tot in de zon ... bijna;

Jubelend zóó hevig,

Dat de dauw in het gras der verre weiden Rillend van de stengels valt Op de vochtige aarde.

En de nadenkende koeien, den kop geheven,

Snuiven den noordwind in,

Zoo zwaar van zouten,

En de landman laat de spade

En, als de vesper luidt, kruist zich

En dankt den Heer, dat vorig jaar

Vermeerdering bracht van vee in den stal,

Van munt onder de plank der slaapstee

En hij voorziet een rijken oogst en volle schuren!

En de visscher, het zingen stakend, viert de touwen;

Het net zinkt in de diepte der verbazingwekkende wateren,

En hij glimlacht, denkend met zekerheid:

Als ik het ophaal straks,

Dan spartelt 't al van glanzende visschen;

O, zoo'n rijkdom lacht niet den parelvisscher

Wen hij aan de oppervlakte van de oerbron terugkomt,

Onder de woeste zon,

Den arm vol schelpen!

En ik, ha —ha, achter mijn weenende oogen,

In het diepst van mijn warm hart,

Verzamel me de heerlijkste schatten;

Sluiten