Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want wie zal zeggen het droef verleden;

Het zachte opwaarts groeien van den ouden stam

En al de brokken achterwaarts gesleurde historie,

Die de tijd vergroef onder rotsen

Van graniet en kolensteen en krijt.

Want wie zal meten de vlucht der sterren

En waar die henen kwamen,

Vurige hengsten uit zóó'n diepen stal...

En wie zal zeggen waar het leven aanving,

En waar het 't hoogst was,

Vurige vulcaan!

Nacht is 't verleden en de eeuwen van deez' aarde Prijken er als ontelbaar vele ongeweten starren. Inééns trad toen de menschheid in 't volle licht; Een stralend zonnegod

En aan zijn schoone bode-voeten lag, gedood,

De draak, het eigen oude dier-lijf.

Zoo werd de schoonheid van het Lijf geboren.

En andermaal verzonk in één deez' schoone tempel

Toen een Geest verrees zoo mooi

Dat tempelbouw een stal geleek.

Toen was het stil een wijl, een duizend jaren,

En in de duisternis des nachts brandde rossig,

Eeuwig licht, gevoerd

Van 't Oosten naar 't Westen

In de wervelende vlucht des aardbols,

Groeiend tot een staag oplaaiend vuur.

En de huisman en de visscher werkten;

Waarom dat wisten ze niet

En de ridders en al 't volk, die vochten;

Waarom dat wisten ze niet.

Als het bloed hen de aren zwellen deed,

Sluiten