is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot spattens toe,

En de strijdlust hen de oogen blindde Met flakker-gloed;

Dan grepen ze de zwaarden, kolven,

En dag en nacht

Beukten de hamers der smeden

Glanzende wapenen.

Dan daverden de kleiige stegen

Onder dreun van honderd pantservoeten;

Ophaalbruggen rammelden

...En als de veste maandenlang gezwegen had;

— De vrouwen peinsden, spinden;

Geen gezang weerklonk uit stille kroegen; —

... In eens dan, tegen het vallen van een rooden avond

Ta — tara, daar klonk het schallend van den toren.

In allerijl sloot men de poorten

En eerst wanneer met volle zekerheid...

... Ha, met welk een vreugde trokken dan de duistere,

Zwarte gestalten,

Glimmend van 't staal, door de opene holten.

Hoe lachten en weenden dan de vrouwen,

Hoe smakten gretige lippen op vochte wangen,

Hoe vloekten de baronnen hoog op hunne ruige paarden,

Hoe wapperden tegen de groene nachtlucht

De gele en roode vanen...

Of wel,

Radboud toog uit met vlucht van schepen En lang tuurden d'ouden en de zwakken Van hoogen wal met bleeken blik ze na,

Als ze, roode en zwarte draken,

De vleugels op, den bek naar voren,

Door 't schuimend bruine water streefden,