is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kerk vordert; sedert Uw laatst bezoek Is reeds zóó veel voleind;

De schildering is nu voltooid;

Mijn zoon wees heden mij zijn altaarstuk.

U zult tevreden zijn.

Godfried.

Is 't zoo, Alma en je zei me dit niet straks?

Alma.

Ik vergat toen ik U zag.

Godfried.

Je vergat dat dit mijn groote vreugde was?

Zéér verlang ik alles af te zien.

Lucas.

Er wordt zeer hard gewerkt,

Nog blijft er veel te doen.

De gieter zond mij gisteren de klokken;

Toen zij door de stegen aangereden kwamen,

— Zoo zeiden mij de brengers —

Was 't of een lang gezang in ijle lijnen om hen dreef,

En in bewond'ring luisterden de avondmoede poorters.

Zóó koninklijk bedekte hun tiaar-vorm

Den bolderenden wagen, dat ik van vreugde beefde.

Zóó levensluide zijn de tonen die in hen slapen

Dat, toen ik mijn hand er henen strekte,

Een zacht ruischen aan het brons ontwelde

Belovend wonder klankenvol gespeel.

De meester, zeiden zijn gezellen, ligt ziek te bed;

De koorts verbrandt zijn lichaam;

Hij ijlt, zóó werkte hij.