Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rufus.

Met hèm hoorden we weer 't overwinning spellend Hinneken der paarden En den grond die dreunt onder den galop Van hun geweldigen hoefslag.

Elfdal.

En als de nachttrompetten klagen zou de verrassing Weer zijn van pieken starre ladders stellen Tegen de dof slapende muren.

Unia.

En in de brandende schamele huizen Zouden we de zinnelooze vrouwen Voortsleuren bij de lange koele haren.

Martena.

Uit de opgehakte kisten zou ik,

Met bloedbedropen handen,

De parelsnoeren, gouden spangen,

Ringen, vaatwerk en gewijde vazen Stapelen kunnen in helm en harrenas En op mijn ijzeren schild.

Radboud.

Göe-morgen, Heeren.

De Heeren noemden mijnen naam;

Zoo scheen me.

Rufus.

Neen, Prins, hoewel onze trouw

Steeds zoekt Uw goedkeur

Naast die van onzen Koning.

Sluiten