Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dring er in met gloeiende stralen,

Bevrucht 't en leef vóórt In mijne kinderen.

Ik hou-je vast, la-je niet los, zonder jou

Verstar ik tot ijzige kou.

Hier, hier, bij mij, altijd.

Wie ben-je toch, mijn warme zon;

Waar kwam-je heen, mijn licht?

O, toon me je gelaat!.. Weg? Je vlucht?

Je laat me zóó! Alléén; in ijzige kou,

Zóó laat-je mij?

O Licht..., o duisternis!

Ik slaap, ik slaap... Wijd uitgespreid

Ligt der oneindige wateren wisselend duister vlak.

stilte.

... Ach, Ah... waar was ik, me dunkt mij droomde

Weer dien zelfden droom, doch wakend nu.

Het was me, of wakende ik daalde

Tot in der dingen diepste waarheid.

Hoe kwam mij dit? Was jij het, hoogste warmte?

Was jij het, felle middag?

de klok van 't kasteel slaat twaalf slagen. Godfried komt op van rechts.

Was jij het Godfried, die mij dit alles toonde?

O, lieve man!

Godfried.

Waarvan spreek-je, Mara!

Mara.

Van jou, van de warmte, van de schoonheid, van de zon!

Sluiten