is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En nooit zul-je me nu weer kussen.

Zij wordt steeds hartstochtelijker; hij weert haar zacht af.

Maar ik zal-je zoenen, ik, ik.

Ik zal je zoenen tot je bloed weer gloeit

En warme glans me toebrandt

Uit je oogen.

Laat mij je nog aanbidden, laat mij nog ééns,

Nog vele malen mijn armen om je lijf slaan En je zoenen, zoenen, zoenen;

Laat mij de bloem van je gelaat nog éénmaal,

O nog vele malen plukken met mijn zóó Naar liefde bevende vlammende lippen.

zij slaat haar armen om zijn hals hij maakt zich los.

Godfried, Godfried, hoe kün-je zoo zijn!

Je doet me pijn Godfried, je doet me pijn,

Je doet me pijn!

O, ik wil je vrouw weer zijn, je lieve edele, veelbeminde

Kinderen wil ik, dat je altijd bij me bent,

Oók in hun beeld. Die zullen om ons heenravotten

En klimmen langs je beenen

En streelen je beide wangen,

En grooter worden zullen ze en sterk

En vechten leeren en te paarde rijden

En met den valke jagen en hun geschrei

Zal schril weerklinken in den binnenhof.

Des ochtends met mist en zonne vroeg ter jacht!

En de horens zullen wéder blazen!

Dan komen zij terug bij grooten haard

Met zware laarzen en een geur van doode blaren,

Van paard en wild hangt in hun kleeren.