is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zóó laat je me! Zóó stoot je mij!

Vervloekt, vervloekt!

Ellendeling, gek, krankzinnig wezen!

Ik haat-je, haat-je.

Vervloekt, vervloekt!

Ooooh!

zij stoot een lange gil uit.

O, o, o hij is gek, de koning is gek.

een stem, in de verte, herhaalt:

De Koning is gek.

Mara,

nadert Godfried smeekend.

Mij nu reeds vergeten!

Hoe kun-je toch zóó zijn.

Nu reeds wil-je niet meer van mij.

Zóó veel, zóó diep, zoo innig diep

Heb ik van jou gehouden. En alles heb ik voor jou gelaten.

Mijn Goden, alles. En jaren heb ik alléén

Geleefd voor jou, geheel alléén,

In de eenzaamheid der kemenade, spinnend,

Denkend aan jou en jou aanbiddend ...

Ons kind ... Godfried ... is dóód ... bijna!

O Godfried, mij zoo verlaten, God - fried, O.

Zij barst in heftig snikken uit en zinkt bij de voeten van een zetel onder den boom neer.

Godfried.

Stil, Mara, dat 't arme volk niets merke.

Godfried gaat langzaam heen, Mara blijft een poos alléén, snikkend; dan staat zij plotseling op; doodsbleek, den blik vol haat gaat ook zij. Stilte.

In de verte verneemt men 't gedruisch eener groote naderende