is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volksmenigte. Een marsch van hobo's, klarinetten, fluiten, diepe trommen; nu en dan daar overheen een kort trompetgeschater.

Radboud in 't zelfde gewaad als zoo even, maar nu met een grooten robijnrooden mantel, komt op, gevolgd door drie baronnen.

Radboud.

Toegegeven dat ik hem niet begrijp!

Doch Koning zijn is niet zich zelf regeeren;

Noch ook een rijk zich maken van zijn eigen wil alléén, Een wereld zich bouwen in zijn ziel,

Die 't al omvat dat schepping is of niet;

Noch minder brug zijn tot een hooger organisme; 't Allerminste toren zich noemen van licht En schepen lokken op de klippen Eener niet te omzeilen kaap!

Neen Koning zijn dat is te staan als trouwe wachter

Op de tinnen van de stad des volks;

Het arbeidzame land te hoeden

Voor de hebzucht van de reuzen,

Te vatten zelf ter hand de ploeg

En het houweel; verbetering vinden

Van werktuig en van moordtuig;

De ziekten te bestrijden; de levensduur verlengen;

Uitwegen de belasting tegen de draagkracht

Van het volk en rusten dag noch nacht,

Alvorens men gevonden heeft 't grootsch probleem

Van 't dagelijksch geluk der menschheid,

Bloeiend steeds, in eendracht stijgend.

En Koning zijn... dat is te zijn de sterkste.

Moeilijk is 't... een waagstuk ...