is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Godfried.

Ik ben de Koning.

Dat gij het wete, dat ik de Koning ben.

En nu eerst voel ik recht mij uwen Koning,

Stedehouder van mijnen Vader, gezonden U te regeeren En te zorgen dat de schatting hem worde uitbetaald, Het slechte overwonnen en de Schoonheid voortgebracht; Zooals geschied is.

En met een juichend feest zult gij zoo straks

Die overwinning vieren in 't spel

Van Mei en Winter.

De booze Winter die God's warmte stal

En ze begroef onder grafgesteent' van ijs,

Hij moet zijn schat nu wedergeven aan de goddelijke Mei

Die, lieflijk kind der zon, ons liefde gaf en licht.

Zoo weest nu allen blij, gij menschen, en verheugt U.

In U allen zij een groot welbehagen,

Dat gij den Mei nog éénmaal zien zult

En al het wijdsche Licht

En den roem van God den Vader...

Maar 't is niet van het spel dat ik in de eerste plaats

U spreken wilde.

Als ik uw blijheid zoolang gevangen houd Onder mijner woorden net,

Is 't om U mijn dank te zeggen voor 't heerlijk werk Dat moeizaam gij nu haast voltooide;

De toren van de kerk die gij den Christus bouwde,

Heeft mijner oogen blik den ganschen tijd geboeid Nu ik hier zit op dezen troon.

Ik weet, mijn volk, hoe gij met gloeiend hart gewerkt hebt Lange, lange tijden, u de liefde als 't ware