is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit 't duister lijf naar buiten werkend,

Ze uwen God te voeten leggend,

Zooals de duiker aan de voeten van zijn koning knielt

Met 't gouden kleinood, dat van zijn vorstelijken vinger

Viel in zee

Uit de diepte der fundamenten,

Langs de stijgende bogelijnen,

Van den stijl zich heffenden toren,

Hebt gij uw liefde, uw warmte teruggezonden

Tot Hem... die ze u schonk door mijnen Vader.

Nogmaals mijnen dank, ik ben voldaan.

Hij zet zich. Trompetgeschal.

Het Volk.

Heil koning Godefried,

Lang leev' de Koning.

Langdurig gejuich. Stilte. Een zevental melaatschen, in lompen, het hoofd met doeken omwonden, naderen strompelend den troon op hunne krukken. Hun klappen klepperen.

Godfried.

Wat willen deze nog van mij?

Een Leproos.

Een aalmoes, Heer. Ik ben arm. Ik gaf alles weg Wat ik had; ik ben oud en poover nu;

Lompen zijn mijn kleeren, mijn lijf rot weg, Het ongedierte vreet me; en mijn honger...

Wordt niet meer gestild.