is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Godfried.

Ik heb u niets te geven man!

Wijs hun een woning waar zij sterven kunnen.

De Melaatschen.

O, o, o!

Hoofdschuddend af met soldeniers. Het volk mompelt in verbazing.

Ausonius,

snel naar voren tredend.

Een verzoek tot Uwe Majesteit uit naam Van 't kapittel der Domkerk en de overige priesters In de landen die Gij beheerscht met afgemeten kracht en

[wijsheid.

Godfried.

Spreek, eerwaarde Ausonius.

Ausonius.

Dat het Uwer Majesteit behaag',

Ter meerdere glorie van Gods kerk,

En voor Haar eigen zieleheil en zaligheid hiernamaals —

Want schrikkelijk is de straf die den ongeloovigen wacht

In de eeuwig nachtelijke valleien: zwaveldamp en pekvuur;

Geween en tandenknersen, helsche pijnen!

Gevloekt zijn zij die in God niet gelooven,

Niet Zijn geboden houden,

Noch kindren zijn van Zijn alléén zaligmakende Kerk; Die de Bedienaars van Zijn Woord verachten,

Zijn Stedehouders niet eeren met méér eer dan die Waarmee men 's Konings waken dankt...

Ik zeg, hen wacht een straf, verschrikkelijk...