Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schemering. Winter. In den achtergrond, boven zeven besneeuwde treden, verheft zich de gevel van een gothieke kathedraal; het middelste portaal versierd met een afbeelding van het laatste oordeel. Rijke flamboyante stijl. Sneeuw bedekt de blootgestelde plaatsen. Links van de kathedraal een der torens van het slot en een poort; tusschen dien toren en de kerk in de verte de zee, de donkere rossige lucht daarboven. Links naar voren, een met sneeuw bedekt afdakje vóór de smidse van Hobbe. Rechts vooraan een wachttoren met besneeuwde tinnen. Tusschen dezen en de kerk, de haven met vele donkere roode en zwarte schepen van prachtigen ouden bouw, eveneens bevracht met de witheid van den winter; lichten bengelen in de masten.

Hobbe; smedend een gloeiend ijzer op een groot aanbeeld onder het afdakje. Veel smidsgereedschap. Een leerjongen gaat af en aan en helpt hem in 't werk.

Hobbe.

't Is avond en 't is winter en ik vind geen vreugde meer

In mijnen arbeid. O zwarte tijden van ellende;

Hoe vèr mijn jeugd, hoe ver de schoonheid van de lente,

Hoe ver (de warmte, het vuur).

Toen ik jong was, heel jong, als een visch was ik

In de klare wateren, spartelend dat het parelende schuim

Spoot tot de stralende luchten.

Hoe heerlijk was mijn stille spel, veel later,

In de blauwe bosschen, in de groene wijden;

Hoe heerlijk was mijn juichend spel onder gouden zon!

Hoe krachtig was mijn jeugd in trots der menschwording;

Zalig glansden mijn oogen over de schittering

Mijner eerste meesterwerken.

O, Schoonheid, hoe edel was mijn jeugd.

Sluiten