is toegevoegd aan je favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet verder konden zijn, dan aan de andere zijde Van 't breede IJ, dat nog niet toegevroren was;

De ijzige stormwind uit 't ruwe Noord Kon lang 't water openhouden. En hertog Martena had aan dezen kant van 't y zijn leger Willen stellen, het ijs gebroken houdend in den vloed, Sterke schansen werpend aan den oever En weren zoo de Franken.

Daarom was onze tred als van een triomfeerend leger. Doch in de laatste uren van den nacht, als de vogels In de verstijfde poelen zich roerden en heel in 't

[Oosten

De ochtend bleekte, toen kwamen we aan een streek

Waar de heerweg daalde en 't water hoog daarboven stond,

Bedekt met ijs. De ijzeren ruiters volgden nu deez' weg,

Zoo glad, tot plots een angstig huivren voer

Door al de nachtelijke scharen.

De voorhoe' kwam tot staan; met zwaren gang

Een ruiter draafde naar den hertog en meldde:

„De spieders van de spits verdwenen.

Geen meer te zien."

Voor nog Martena bevel had kunnen geven Stormde aan een tweede ruiter, schreeuwend woest: „De Franken, de Franken, de voorhoe' slaags."

De hertog, wel bekend met deze meeren,

Gaf ernstiglijk bevel, en onze legermacht zag 'k weldra Zich plooien uit met breede vleugels;

De ridders keerden terug tot vasten bodem.

Zoo vormden wij een maan in eerste wassen.

En terug gedreven werden al de Franken,

Hevig vechtend; zóó streden boogschutters en lichtge-

[wapenden.