is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vlucht! Omsingeld zijn we, vlucht!" Al 't volk sloeg aan

['t vlieden;

Tot waar wij stonden renden ze terug. De Hertog Draafde her- en derwaarts met zijn knapen,

Sporend dan de schutters, dan de ruiters, dan weer De knechten-met-de-lans. Met den zwaarde sloeg ik menig Laffen vluchteling. Doch niets ons hielp. De kring der

[Franken

Sloot zich meer en meer; in woeste drommen vluchtten toen De Friezen; niet meer op spoor of toornen achtten onze

[paarden;

De rossen keerden en in verwarring schokten alle benden. De wapens werden weggeworpen; mijn ooren scheurden Bij 't geschrei der edlen smorend in moeras. Tweemaal

[gewond

Was Martena, van woede schuimend met een kring Van moedige mannen stond hij zoo den vijand.

Toen houwend, hakkend, stootend om zich heen,

Aan 't hoofd der trouwe bende ridders, schutters, boeren, Alles dooreengemengd — ook ik bleef dicht hem steeds ' Ter zijde — zoo baande hij zich woest een weg ter terugkocht. ..

De lucht had nu zich onder zware wolken dichtgetrokken En toen de wind ging rusten, kwam een groote duister-

[nis,

En dikke macht van sneeuw viel blindend over ons En over al d'ellende.

Het Volk.

Helaas, helaas.

Rufus.

De Franken echter lieten niet van ons.