is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Radboud.

Zwijgt menschen, zwijgt!

Langzamerhand wordt een stilte.

Martena

kreunt. Eindelijk spreekt hij moeizaam :

Koning, mijn einde nadert.

Vergeef me. Te machtig... vijand,... duisternis... En sneeuw... te machtig!

Zie mijn wonden! Voel mijn smart! Geweldig Is de opheffing geweest van geheel mijn kracht! Ontzettend is de poging geweest, op het einde;

Als een wig heb ik mij vooruitgeworpen met mijn mannen, Stuwende in de ons omarmende duisternis der horden; Als een boot heb ik gekliefd de ijskoude wateren, die ons

[omwelden.

Doch wie kan strijden tegen God; wie kan vechten

Tegen de ijzeren wetten van Zijn Bouwmeester.

.. Wie kan keeren 't lot... Geweldig was de poging...

En minder sterf ik aan mijn wonden dan aan 't breken

Van mijn wilskracht. Als een toren heb ik mij voelen wassen

In felle oorlogswoede; als een toren heb ik gestaan,

Woest geheven boven mijnen vijand;

Als een machtig beest rees ik op tusschen mijn belagers...

En toch ben ik gevallen...

O ijdele poging, gebluschte gloed.

Neersmakking van al ons streven!

Dood van al ons willen...

Nacht!. . Hij sterft. Plechtige stilte.

Hobbe.

Wij menschen zijn de spelers van een geweldig treurspel,