is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EPIMETHEUS

i.

Nu ga ik zeggen de schoonheid die ik zag in dagen Dat in mijn hart de Liefde stond, de Boom des Levens; De vruchten rijpten en ik at er van;

En mijn lichaam werd geheven in groote zaligheid.

Ik zag het lot van Prometheus en van Epimetheus zijn

[broeder;

Van hem die Meester werd van den Heiligen Drank

En van hem dien ze terugbracht God, den Heer der Heiren;

Zijn naam mij zij geloofd tot in het eind der dagen,

Tot aan de grens van alle eeuwigheid.

Want in het uur, dat Satan uitgestooten werd

— Uit stof had hij een wereld zich geschapen

Die schooner wanend dan Gods geestelijke schepping —

En neergeworpen op de aarde, geketend in het diepst

Der diepten van de duisternis;

Toen leefde op aard het ras der menschen.

En deze zagen achterwaarts,

En zie het Dier was achter hen;

Het zoogdier en het vogelenheir der luchten

En al het wriemelend zeegedierte;