is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want lang reeds boven den Oceaan geheven,

Was de aarde, gelijk een jonge vrouw.

Doch Satan was geketend in de kern der aarde; Tot banden waren hem gemaakt de elementen zijner

[schepping;

Verstrooid zijn kinderen in de menigvuldigheid der dingen; In bloem en boom en beek, in lam en leeuw en bok. En Satan's kinderen de schoonheid zagen van de dochteren

[der menschen; En naar hun lustten en de begeerten van het lijf En spraken nachtelijk raad en zwoeren groote vloeken, Dat zij ingaan zouden tot die vrouwen, bevruchten haar Om wellustwil

En om het lijden van de menschen.

Zij deden zooals zij elkaar bezwoeren En vele menschendochteren, in smarten,

Kinderen baarden van overweldigende grootte.

Nochthans de ziel dier Reuzen was loodzwaar En luid als groote klokken.

II.

Twee broeders waren met de Reuzen Wier ziel veel luider was dan die der anderen En hunne lengte was geweldig, buiten mate En ook hun schoonheid.

Prometheus de een, dien, in het verre Oosten,

Men gezegd heeft Meester van het Heilige Gods;

Epimetheus de ander.

Prometheus, tweeling van 't Verleden,

Want hij droeg voor 't hoofd de Morgenster;