is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Epimetheus, der Toekomst tweeling,

Had de Avondster als kroon.

En beiden zoons van Japhet en van Asia,

Een dochter van de menschen, die uit de zee geboren zijn. En zoo geschiedde dat Prometheus rijpte En werd een heerlijk jongeling,

Wonderschoon en lichtend als een god.

Hij zag hoe zwaar de ziel was in de Reuzen En somber luidde lijk een klok;

De Reuzen konden die niet torsen Om zwaarte en om duisternis,

Zoodat zij kenden, noch den Weg die opwaarts,

Noch dien welke neerwaarts voert in 't land der sombre

[wateren,

Waar eewge koude is en ademloos het uiterst duister.

En de smart stond vlammend in zijn hart.

Want hij zag ook de menschen,

En hoorde doffe klanken stamelend hun tong.

Ten hemel ziende zag hij eenen berg

En op dien rots een sterke stad;

Daarin de zon, een huis der vurige ontzetting.

Toen pleegde hij met de Reuzen raad

En met de vorsten van de menschen,

Luid roepend uit zijn vast besluit;

Meester zich te maken van het Heilige vuur,

Opdat 't licht zou zijn in de ziel der Reuzen,

Zij kennen zouden de wegen hoogerwaarts

En die neerwaarts voeren in 't land der ijzige zeeën;

Opdat de menschheid worden zoude groot

En machtig, kundig alle kunsten,

Kennend God en God gelijk.