is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

Hij toog naar een gebergte op aarde,

Waar de rotsen rezen tot de sterren,

Waar duistre kloven gaapten, wateren stortten naar beneden, Waar arenden hun nesten hadden en donder beefde in de

[dalen

En waar de Reuzen, duivelen, vorsten van de menschen

Hem volgden, gierig zinnend óók den roof

En 't einde van de duisternissen.

Daar riep met groote stem Prometheus,

Als de klank eens koperen bazuins

En al de Reuzen, ook de menschen,

Zij riepen allen met een groote stem,

Luid roepend om 't vuur en 't licht

En het Heilige Gods tot der zonne Wachters.

Door de hemelen daverde de schreeuw;

De wateren schudden, de sterren schudden,

De Wachters wekkend van de zon:

„Op Zonnegeesten, waakt en wacht de zon,

Steekt de bazuinen van de tin der sterke stad!

Tegen ons gelegerd is een heir!

Geweldig is het heir gelegerd tegen ons!

Bolwerken heeft het opgeworpen in de gebergten,

Tegen ons en tegen de Heilige Graal."

Een strijd ontbrandde, die duurde eeuwen

En is nog niet geëind.

Een strijd van boos en goed en schoon en slecht.

In de menschen woedt die strijd en in het water,

In de aarde en in de aardsche dingen,

In boom en bloem en edelen steen,

In al het rijk van God dat Satan zette in brand.