Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En de zonnegeesten hebben daarin

Het zwaard gekeerd tegen de Reuzen, de duivelen en de

[menschen,

Wegens de heerlijkheid des heiligen Vuurs.

Prometheus nu hief andermaal zijn stem

En al de duivelen met hem;

Rotsen stapelden zij op elkaar,

Gebergten stapelden zij op elkaar

En bergen reikend tot den hemel.

De hooge Wachters van de zon

Hun boden naar de hemelweiden zonden,

Die de ontzagwekkende wolkendieren zamelden,

Die kudden dreven boven de aarde;

Daar de uiers openend van den regen,

Dat alles duister werd en duizenden verdronken.

Nu brulden de valleien van aller wateren strooming,

Nu donderden de rotsen dansend naar de dalen,

Nu vergingen al de wouden

En de woeste zee bedaverde de bronzen poorten van

[den nacht.

De lucht verduisterde, met diepe stem De zee ving aan te zingen;

Te pletter sloegen onnoemelijke draken;

Als gieren kwamen aangewiekt de winden En hitsten huilend op ten strijde.

Doch nu de Reuzen!

Uit breede monden braakten zij fel gloeiend vuur, Zij spoten gloeiende rotsen en schoten vurige pijlen. Van uit de diepte kromp de dommelende Satan op En schudde zich en joeg uit duizend hooge monden Gloeiende zuilen, de sombre wolkenkudden wondend Met roode wonden druipend van het bloed.

Sluiten