Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook Satan spoot zijn bloed ten hemel,

Zóó barend helsche draken, vurig van muil,

Met donderende tongen; die beten gaten in der wolken

Zoodat die loeiden van de pijn. [buiken

De zonnegeesten roerden donderende trommen

En de sonore gongen, zamelend zóó

Ontzettend donderweder over de aarde;

Een heir van bliksems en van donders,

Een heir van dondergeesten die hun woede braakten

In duizend schichten moordend licht.

Zoo stonden nu in gloed gehuld, de bergen van de aarde,

De wouden en de zeeën en de woningen van marmer;

Véél rooder was de gloed dan bloed;

Afgrijselijk méér dan alle duisternis

En eeuwig durend.

Toen stierven vele reuzen, stortend op elkander

Met zwaar gedreun van wapenen;

De klacht der vallenden was zwaar als golfgebrul.

Doch ook de donders stierven;

Afzichtelijk de wonden die Satans draken

In hunne buiken scheurden!

IV.

Doch ziet, toen zij ternederlagen In smartelijk gekreun;

O ziet, toen werd het licht in de somberte der dagen.

Een brug zich welfde tegen de wolken,

Een brug in lichte kleuren rillend,

In glans en kracht,

En leidend van de aarde

Tot de stad der zon.

Sluiten