is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gewapend stond een Engel groot

Aan den voet van deze brug,

Om te bewaken berg en stad en huis der zon;

Een luide hoorn was aan zijn gordel.

Hij zag 't gevaar;

Hoe nu de brug der zon ontdekt was

In sterke heerlijkheid en kleurenpraal;

En blies den hoorn.

Gewiekt kwam 't heir der zonnegeesten

Aan 't hemelsch eind der brug;

In onbeschrijfelijke schoonheid straalde hunne weer;

Met wapperende banieren

En klaterende trompetten

En goudene bazuinen

En schittrende pantsieren

En blikkerende zwaarden

En donderende trommen

En fluiten en cymbalen

En blinkend witte speren

En stijgerende schimmels

En een verheven lach van kracht.

De Reuzen, menschen, duivelen

Het andere eind der brug bedreigden

Onder hunnen marsch

Met duistere paarden,

Donker geharnast,

Sombre vaandels

En dreigende lansen,

Donderende hamers

En doffe trommen

En dreunende gong

En 'n woest geschrei om macht.