Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stad nu was verlaten,

Gedood veel zonnegeesten,

Hijn lijven over de wallen leunden

En in de poorten, in de stegen;

Ter aard vertreden hun banieren lagen;

Bloed alom stroomde langs de wegen.

VI.

Zoo reed hij uit de stad In land van louter vuur en hette.

En niets was in dit land Dan vuur en hette

En louter gloeien, schroeien van de vlammen.

Slechts een geraas van vlammen niet te noemen!

Want het geraas was als een doodelijke stilte.

En in 't midden van het land,

Dat nergens eindde,

Noch Zuid, noch Noord, noch Oost, noch West;

Maar alom brandde en alom barnde

En alom bulderde van brandend vuur;

Daar stond een ontzagwekkende Tempel,

Die was van louter vuur.

Zes zuilen waren in de rondte

Een zuil in 't midden, hemelhoog;

Fel stralend waren die kolommen

In menigvuldigheid van kleur gelijk

De glanzende gewelven van den trillenden hemelboog.

En tusschen die kolommen van pralend edelen steen

Waren hevig rillende muren van opalizeerend vuur.

Doch deze schoonheid achtte niet Prometheus

En spleet de muren met zijn bijl.

En al zijn legers schreiend omringden 't Hooge Huis.

Sluiten