Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar binnen reed Prometheus

En zag onmetelijke zaal

Die ganschelijk was van gouden vuur

Met vuurge hemel, vuurge wanden,

En één reuzige kolom van rillend vuur.

En zeven Wachters bewaakten fier het Huis.

Nu rilde Prometheus,

Zóó heerlijk was hun aanblik,

En poosde en zag verscheiden hen

In goddelijk schoon van kracht en wezen.

En zes der Wachters stonden rondom,

De zevende die stond te midden;

En wonderbaarlijk was hun glans.

O de eerste Engel:

Één rhythme en rilling en Dans;

Niet mooier is de dans der sterren.

En de tweede uitnemend van Vorm

En geen jongeling is er schooner op aarde.

En de derde zong weelderig van Klank

En geen klank is er klaarder in klokken.

En de vierde welriekend van Geur

Zooals geen bloeme in pralend paradijs.

En de vijfde laaide van Licht

En de zesde gloeide van oneindige Liefde

En de zevende staande te midden,

Woord, Gedachte, Oer-begrip God's,

Stond juichend, juichend, juichend:

Heilig, Heilig, Heilig is de Heer der Heiren.

Geheven in zijn hand

Was de Graal van edelen steen;

Daarin een drank des vuurs.

En tegelijk de andere Wachters juichten,

Sluiten