is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op 't Gouden Outer.

Toen vormde de tempel zich tot poort

Tot poort van goud,

Een Gouden Poort

Die trillend was van gouden Engelen

Die te bazuinen stonden, triomphaal.

Gods Paradijs en al de Engelen werden zichtbaar.

XVI.

En ziet een wijdsche vlucht

Gevlogen kwam vanwaar de aarde

Terneder lag in kou en ijs.

Gelijk een avondvlucht van vreemde wolken

Kwam aangevleugeld 't heir der ridders,

Den Graal nu achter na.

Op gouden wagenen zij zwierden

Door melodieuze luchten;

Van goud en vuur de paarden waren

Die de wagens sleurden voort.

Zij vierden rijke mantels van bloedig violet,

Van bloedrood, heet oranje, vlamme-geel,

Van zeegroen of van het blauw des hemels

En weer van violet als duisternis;

Ook blindend wit.

En stralend waren hun verjongde oogen;

De laatste was Prometheus. —

En tot mij zie ik omzien

Der Engelen eenen,

Een Genius hoog,

Met vlammend goddelijk oog;

Ik beef en bid hem aan

En dank en vraag zijn naam