is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kon speuren in den glans;

Oneindige scharen Engelen,

Veel schooner dan de pracht Der purpren morgen-wolken,

Stonden rillend, trillend, juichend,

Juichend met één stem

Om den Troon des allerhoogsten heiligsten Heer des Als, Die blaakte in verblindend licht.

En al de Engelen,

De Cherubim, de Seraphim en al de Ophanim,

Nu prezen God en riepen met één stem:

„Geprezen zijt Gij Heer,

O Koning groot en machtig,

O Heer der gansche schepping,

O Koning aller Koningen

En God van alle Zonnen;

Uw Godheid, Koningschap en Grootte

Blijve in Eeuwigheid

Van Eeuwigheid in stof

Tot Eenheid in den geest."

Om Zijn Aanschijn, verheerlijkt stonden

Nu zes der Wachters groot;

Aan Zijn borst de Gouden Zoon nu rustte;

Van onder Zijne voeten stroomden

Vier vloeden van robijn.

Daar hoorde ik een stem,

Een hevig schallen,

Vervaarlijker dan 't ruischen aller watervallen,

Dan den donder der vulcanen,

Dan 't razen aller zonnen.

„Ik was," zoo schaterde de schal...

En al de zonnen doofden.