Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wentelen en overweldigende Engelen bewogen deze raderen voort.

7. Want immer was de oneindigheid der scheppingen en van uit het lichtend midden, waar geest en stof opgaan in zalig Een, daar gaan de vurige stralen en scheppen immer werelden, geen een gelijk de ander, doch ieder weer gebouwd op andere verhouding tusschen geest en stof.

8. En in elkander liggen deze scheppingen als de oneindigheid der bollen in één bol.

9. Doch aan de andre zijde van het middelpunt, daar rust de immer Onbekende, de Onbegrensde, d'oneindig Groote, d'oneindig Kleine; het in zich Zelf eenig en attribuut- en willoos Wezen, zonder plan, verlangen, woord of daad, en altijd aan zich Zelf volmaakt gelijk;

10. der Ouden Oude, de Eindelooze, Niets-en-Alles, der Wezens Wezen, die men genoemd heeft: Parabrahma, en d'Afgrond van de Tijden en die is 't Merg van alle ding, zoo werkelijk als ideëel.

11. Zie, Deze rustte, doch aan zijn sponde ontwrong zich iets als een Gedaante; als een gevoel dat wenschte: Leven; als een immer weer-geboren wordend Schepper, een Oude Koning, een Groote Vorst.

12. Als een reusachtig zwemmer die zich verdiepte in des Zelfs bodemlooze diepten, zóó schuddend van zich af de golven lichts; zóó trad te voorschijn de Groote Koning, Zion, stralend, spreidend beide armen uit.

13. De Groote Koning treedt te voorschijn uit eigen duisternis en eenzaamheid. In Hem een machtig willen is tot worden, tot zijn in schoonheid, machtig groot.

14. En om zich blikkend ziet Hij de barre Woestenij, 't

Sluiten