Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieten hunnen rondedans. De klaterbronnen zwegen, de Winden lagen diep in rust in hunne purper-tenten en alle bloemen sloten zich en alle vogels sliepen;

3. een gouden ether overhuifde gansch de schoonheid, de zuilen-tempels stonden star en stil in 'tteere uur; d'Eonen rustten licht op kussens bij de bleeke vijvers

en alle zwanen zwegen.

4. Doch gansch in 't Nadir waar op rotsgebergte van goud en sarder, chrysolieth en alabaster schemerend zich hief een wondervreemd paleis, daar klonken over stille diepten zang en harpetonen, zalig zoet. En onder purper-gele velums, op gouden spere' gespannen, boven somber marmeren terrassen, daar lagen loom en lui de zeven Broeders en lispten tot elkaar en luisterden de loela-loela tonen van de fluit.

5. Want er was dans in dit paleis, een dans van luwe zinnen en druivendrank werd veel gedronken tot al de Broeders rilden, bevend van 't overrijke sap, dat hen opgloeiend door de aderen stroomde.

6. En Lucifer zich opricht van zijn leger en afduwt van zijn borst de minnende Eonen en heft den beker en de oogen laaiend, de lippen lallend van den heeten lust en gansch zijn elpenbeenen lichaam roodend van het heftig Willen; zoo roept hij uit:

7. O Broeders, ik zie gestrenge Vrede, met zonen om zich heen, veerkrachtig naderen over gansch 't Pleroma dat onder zijnen hoogen blik in slape valt; weldra zal hij met dooven staf 't Huis der Nadirs raken aan en rust zal overmannen Lucifer en zijne Broeders; Alvader heeft zich in een Zoon al schoonheid saamgebonden en slaapt nu in, de wijze zon gedrukt aan

't hart.

Sluiten