is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Doch ik wil niet ter ruste, noch ook gij mijn Broeders; rust is dood van al ons Willen, vrede 't einde aller Lust.

9. Zoo sprak de Glanzende in gedachten en in gedachten

stemden al de Broeders toe en rezen op, de vleugels

uitgespreid gelijk een groote vloot die uitwaarts zeilt in wijde zee.

10. En over 't Pleroma aangedreven zij nu kwamen, diep

onder hen de praal van Kareol en al zijn tuinen en

paleizen; en menig blanke tempel, stil zich spiegelde in heil'gen vijver.

H. En recht zij zeilden door den gouden ether naar 't Westen, waar de Avond rood-en-grijze huizen heeft; de zee zingt daar haar eeuwige verlokkingsliederen van wondren steeds meer wonderbaar

12. Al vliegende de gloed der gouden druiven hen tot

eeter g oeien zet, tot, brandend, gelijk aan woeste vuren zij Maya's schitterboot omrazen, gansch in vlam zich storten over haar beangste lijf, omgrijpend haar, en haar doordringend met hun laaiing, worstlend, eindlijk stortend met hun prooi door 't diepe van de groene wateren, donderend neer in 't somber der spelonken van de Nacht.

13. Zoo stichtten zij een rijk met de Godd'lijke Illusie, een rijk der Duisternis helaas, de groote Lucifer en zijne Broeders.

14. Een doove donkerte omhulde ijzig koud de gloeiende engelen en Maya weende lange in de poelen van de Grot. Gebonden waren hare handen en ook haar voeten week en zacht; geslaafd was nu het hooge lichaam, ontwijd de heiige godenschoot.

15. Want onophoudelijk doorlaaiden haar de woeste vuurdaemonen; zoo baarde zij hen menig duister kind.