is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Doch zie, in 't midden van de Grot, daar stond de hooge Beker, nog immer gansch omgeven van een krans van licht en zie, nu langzaam uit den Beker een vurig plantje schoot en wortels kronkelden ter aarde en wroetten diep er in en onderwijl zij dieper groeven al hooger schoot de plante op en groeide tot een boom.

17. Reusachtig werd de Boom en om hem heen zich immer meer de Grot verdiepte, verliezend zijn gewelven in onpeilbaar diepe Nacht; en immer meer de Boom sloeg uit de takken, rijk met vuurge vrucht bevracht.

18. Tot zonnen rijpten al de vruchten, zoo rijpe zonnen spartlend van het vuur, die al maar groeiden als de Boom opwies en rijpten loeiend in den brand.

19. Steeds woester raasden al de zonnen, steeds luider loeiden d'onmetelijke protuberansen tot dollend hier en daar een zon wegraasde in 't duister en tollend wielde over rotsige gebergten of sissend stoofde neerwaarts in een pekzwart duister meer.

20. Weer andre bleven zweven door de eindelooze luchten en lieten op hun beurt weer vuurge bollen af, die immer verder doolden.

21. Nu rende Lucifer ten top van een gebergte en al de Broeders volgden hem verwoed en hij stond hoog geheven, een gloeiend beeld tegen zwarte dood en liet bazuinen blazen en alom toetren met geweld dat al de zonen Maya's zich aan zijn voeten schaarden, de handen tot hem opgeheven, woest en fel.

22. En almaar toeterden trompetten en pauken roffelden hun donders tot allen om hem stonden; Maya in ketenen geklonken, lag te steunen op een sombren wagen, haar aangezicht zoo bleek.