is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sonore gongen vingen aan een donderend geraas. Toen zweeg 't gansche volk der wulpsche daemonen en Ouraios strekte zijn rijk versierde hand.

51. Hij sprak: Daemonen, gij mijn fiere zonen! Ik ben voldaan. In woeste pracht verrijst mijn Esthakar, gehouwen in de rotsen van de Nacht en nimmer dale vrede doodend over dit mijn duizelend Rijk.

52. Deez' hooge Beker zij in strijd ons heil; der zonnen eerste is in onze macht; dit edle vocht weerkaatst als in een tooverspiegel al de pracht van mijn Heelal.

53. Want Ik, die Ik ben en uw God, en die mijnwetten kondig van de bergen; Ik ben, Ik ben uw God en richt u zonder mededoogen en sticht in d'allerduisterste diepten van mijn Rijk, den Orcus, diep in doode rots vergraven. En vreeselijker is er niets dan deze starre stof.

54. En hoor nu verder mijn bevelen; doch voer mij eerst tot mijne zale, Ennoia, Vrouwe mijn.

55. Daar zwegen al de Engelen en zie de scharen reiden zich en toonden een wijd veld en woestenij en woud, afwisselend donker en verlicht, en zee├źn breed en vele zilvre' vloeden en wolken fantastiek en al de einder was omzoomd van starre rotsgevaarten witgekroond van stralend ijs.

56. Toen zag men over de bergen Ennoia's zwarten wagen rijden en luide klingelden de schellen van de ossen die hem togen. Een groote schaar van dansende hierophanten ging vooraf, ook rei van rhythmische ontbloote maagden met gouden bekkens triomphaaJ en knapen die de loeiende syrinxen bliezen. Er volgde haar een heir van woeste stalen krijgers, van geile deerns, rijk getooid.