Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

57. Ennoia lag gebogen op ten bleeken arm in paarse kussens, de andre arm hing terneer. Haar aangezicht was ook gebogen lijk de bleeke Maan in fijnen blauwen sluier; zij sprak niet meer.

58. Nu lachtte Ouraios en riep: O mijn geliefde veelschoone gedachte, o mijne Vrouw; gij Moeder, die, gelijk een Bijen-Koningin ons allen baarde, die uw mannen zijn; ik geef u ten geschenk aan mijne Schepping.

59. Ik wil dat ieder ding en ieder wezen hebbe zijn deel aan u, Ennoia, mijn gedachte, opdat elk ding en elk wezen gescheiden zei in Goed en Kwaad;

60. want van mij zij 't woeste lijf dat in begeeren immer wil 't lijf en nieuwe lijven, kindren immer voort, als in een Molen der Geboorten;

61. en van Ennoia zei de Geest die immer zich wil scheiden van dat lijf en terugkeer wenscht tot een ver Land, dat ik, geloof mij, niet meer weet te vinden. Doch wen ik mij bezin zoo leidt daar heen een schoone weg... die mij geheim is. Zeg dit aldus den menschen.

62. En zeg hen voorts, want dit is nuttig: bevrijding van 't godd'lijke en terugkeer van de hemelsche Gedachte in der Volmaaktheid schoot zij 't doel der levende wezens; dit doel bereikt, zoo zal de wereld einden.

63. Daemonen gij, geef nu de lijven hunne hoogste gratie: dat in een dol begeeren 't lijf steeds weer opnieuw naar woesten wellust haakt.

64. Ook zult gij ingaan tot der menschen kindren en baren geestelijke Reuzen, die immer zweepen zullen de suffe menschen tot den strijd.

65. Want Strijd geeft al de dingen wording, doch als 't al oplost in goed of kwaad, dan moeten sterven wij Daemonen; geëindigd is dan ons geluk.

Sluiten