Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66. Zie toe dus dat gij noch verliest, noch overwint en stel de Schoonheid als een ideaal in sterke stad die men belegren moet en toch niet nemen kan in eeuwigheid.

67. Vaarwel Ennoia! De Heilige Geest is Vrouw; ik stel U tot een groote Hoer op al de rijke watren van mijn Esthakar! Zoo zijt gij èn mijn Vrouw èn eeuwge Moeder van mijn Wording.

68. En gij mijn Helden, breng aan mijnen Zonnezoon Aiètès, Koning in 't Eiland van de menschen, 't Gulden Vlies van gouden Zonneram; dit zij den menschen tot symbool van 't Hooger Streven, en zoo hen dit verloren ga, wee dan de Aarde.

69. En gij mijn Broeders, zoo zet U toch op Uwe groene tronen; bezien wij in den Tooverspiegel, 't Vat des Heils, hoe Wording voortschreidt langs de banen van de Tijden.

70. Toen zweeg hij en ook al de andren zwegen en hoorden hoe nu plotseling Ennoia aanhief schrikbarend te klagen, te rukken zich de haren, te stooten vloek op vloek uit haar geschroefde keel:

71. Vloek, vloek en vloek en nogmaals vloek op U Ouraios, vloek over Eloï, Astaphaios, Sabaoth, Jao, Jaldabaoth en Adonaï en vloek en vloek op Esthakar en de daemonen; vloek over mijne zonen, vloek over mijnen buik, die al deez jammer baarde.

72. O Zion, mijn Geliefde, verlos me uit dit Rad der Weeën.

73. Zij zweeg, doch de daemonen overstormden haar en voerden haar terneder in de Grotten van de Nacht-

74. Rondom gebogen zaten zwijgend neer de Groote Engelen lijk Phoenixen, die zich tot asch verbranden.

Sluiten