is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75. Toen hieven zwanejongelingen aan een zoet weemoedig lied, en harpetonen ruischten door de zalen.

VI.

JAZION

1. Hoe zit 't lichte Kareol ter neer in droefenis, hoe zwijgen alom in de zalen de stemmen van de Bruiden, hoe weenen aan de beken de heerlijke Eonen, hoe hangen al de harpen klankeloos, hoe liggen zonder ruisching al de lieren!

2. De geur der offers rookt niet meer in uwe gouden schalen, Kareol; de waterbekkens klateren niet van stralend springfontein; al 't lichte schijnt verduisterd, een nevel grauw omhangt 't wondre Land; de adelaren hebben hunne wieken toegevouwd en treuren in de hooge nesten.

3. Gesloten zijn de poorten der paleizen en nimmer meer weerklinken wijde straten van 't blije hinneken der schimmels, die uwe wagenen trekken, o zonen Zions; de Tuin des Midden is geworden tot een woestenij en al de schaduwrijke dalen zijn verlaten van de Minnaars.

4. Nu schreidt de groote Zion smartenvol door zijne zalen en als één weegalm is zijn stem, als donderschal is zijn geluid, zijn roepen is als 't galmen van de zee, die tegen rotsen opstaat met beschuimde kammen.

5. Want Zion weeklaagt om Ennoia, die diep in rotssteen nu gevangen is; doch vastgebonden is in 't Ideale, Zion, Hij, de groote Vorst; en nimmermeer noch kan, noch wil Hij dit verlaten.