is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Gansch schrikkelijk is 't gebrul van zijnen adem; verbijstrend galmt hij al zijn weedom uit; en al d'Eonen siddren weenend, omarmen zich en snikken aan elkanders borst.

7. En d'oudren volgen hunnen Vader en met hun zoet gevlei en zaalge kinderwoorden, zoo trachtten zij te troosten Hem, die als een leeuw te loeien staat om Zijne Gade.

8. Doch Zion hoort hen niet, Hij acht niet hun gevlei, noch ook de lieve kussen die zijn machtig kleed bedauwen, dat al de dalen vult; zijn woorden waaien als een storm door al de wouden, de roode boomen alle barsten neer.

9. En immer luider wordt zijn weenen; gelijk vervaarlijk orgelen dreunt zijn zuchten langs de stranden en de smaragden spiegelzee kreunt onder vale sluiers.

10. Van Noord naar Zuid, van Nadir tot 't Zenith, van Oriënt tot Occident doorschreidt Alvader zijn paleizen en in de plooien van zijn violetten mantel treuren de Eonen.

11. O Zion, de Zonen van Uw wil zijn U tot vijanden geworden; om goddelijke Liefde tot Uw zelf is nu dit Zelf tot slaaf geworden der Materie en als gebonden zijt Gij in de wanden van een donkere spelonk.

12. O Maya, hoe bevrijd ik U uit de banden Lucifers; hoe boor ik mijnen schat terug uit duistre aarde; hoe vind ik weder mijn Geliefde, vrede brengend in haar purperen gewaad.

13. O, mocht ik mijn Een'ge Schoonheid weerom aanzien in Spiegel van smaragd; o lag in liefde weer gewonden om mijne schouders, Maya, uwer lokken pracht.