is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23. O Kind, wilt Gij nu nederdalen in de Hel en halen mij Uw Moeder, Maya, mijn Geliefde?

24. Zoo zal het somber ras der menschen zeker martlen U ter dood en veel zult Gij daar moeten dulden. Doch Gij weet wel hóe fier te strijden; Liefde zijt Gij in gansch den omvang van Uw wezen. Doch schenk niets weg, wees gierig met Uw Liefde en voer 't Al tot U.

25. Ook wees mij niet ontrouw en toef niet in de huizen van de menschen; doch keer mij weder met Ennoia, met gansch den Schat en met den Beker, dien zij medevoerde.

26. Toen weend' ook Jazion en sprak in tranen: o Vader, leg Uw lieve handen op mijn hoofd; geef mij Uw Willen in de hersens, en Uw Rede in de Lenden; en geef mij de Begeerte in mijn hart.

27. O Vader, schenk mij Uwen zegen en laat mij gaan;

ik keer U weder en leg U Vrede als een duive aan de voeten.

28. Toen rees Hij op en weende wel een eeuwigheid aan Zions knie en wendde zich nu stralend af gelijk een zon die lacht door grijze wolken heen en daalde langs de treden der terrassen tot aan 't strand der zee.

29. De ideale Wezens groetten Hem met zegewenschen; deen bracht Hem zijn zwaard van goud; d'anderzijn goed schild en speer; en weer een ander bond hem de sandalen.

30. En vele Englen kusten zijne handen en vele kusten

zijn gewaad en vele kusten zijne haren en vele kusten zijnen mond;

31. en sommigen lagen neergebogen op den grond en kusten in aanbidding zijne voeten.