Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32. Nu waren saamgevlogen al d'Eonen en neergevederd over 't strand; met zangen stonden ze hem toe te zingen een edel reislied, vol van liefde:

33. Jazion, Jazion, keer ons weder, vergeet niet Kareol, vergeet niet uwen Vader; breng ons Vrede, herwin Ennoia en haar Beker en sluit de Poorten achter U. O Jazion, Jazion, keer ons weer!

34. Toen schreedt Hij heen en wendde niet meer terug zijn blik op Kareol, dat lichtend lag, doch half verborgen achter nevlen; en zie de woeste zee lag hem te voeten als een slaaf.

35. Een zwarte Vrouw rees hemelhoog de lucht in aan de overzijde en zij zag Jazion zoo hulpeloos en fijn aan d'oever van immense Oceaan, en tot Hem sprak zij nu aldus:

36. Ik kom tot U geliefde Jazion, zoo komt Gij ook tot mij; ik help U over dezen stroom zoo helpt Gij mij tot waar Gij anders wijlt: 't heerlijk Kareol.

37. En Jazion verstond wel deze raadselwoorden, doch neigde slechts het hoofd. Toen kwam gewaad met breede schreden de zwarte Nacht over al de zee en bukkend nam zij d'edlen Knaap in haren wijden mantel.

38. Hij lachte; woeste golven zoenden zijne beenen en in verlangen ontbonden hem één heerlijken sandaal; aan den anderen oever in de duisternissen zette Nacht het teere lichaam lichtend op de ruwe rotsen.

39. Nacht zweeg, doch vele zilvre' tranen zag Jazion in haar oogen blinken. Hij gaf een blik vol licht haar tot een dank en verder schreed Hij tot de oorden van Ouraios.

40. Wist Hij den weg, verdoold' Hij niet in zandige woestenijen, verloor Hij zich niet gansch in ondoor-

Sluiten