Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56. Ik zal U toonen eenen dans der maagden en je zult drinken met je oor de weeke tonen van de fluiten mijner knapen. Zeg, lig-je mede aan?

57. O Lucifer, ik ben hier niet om feesten of gelagen, zoo sprak de Heiige Jazion, doch had Gij Vader's smart gezien, gewis Gij zoudt niet zinnen op festijnen! Zoo ga ik dus tot Maya; mijn heer Broeder, heb dank voor Uwen edelmoed, geef mij verlof; ik bidde U leg neer de Kroon van Uw heelal en geef Uw Vader vrede.

58. Wel Jazion, ik wrocht mijn heerlijk Esthakar en 't gaf mij niet geringe moeite, doch schenken wil ik 't U en Uwen Vader. Doch daartoe moet Gij gaan tot mijnen Zoon Aiètès, die 't eiland Asiah regeert en van Hem terug begeeren 't Gulden Vlies eens Rams dat in zich omvat 't gansch Begrip van mijne Landen. Zoo Gij dit Vlies bezit, zoo hebt Gij al 't schoonste van mijn Rijk en kunt Gij vreugdevol tot Uwen Vader wederkeeren.

59. Doch Aiètès stelde eenen Draak te wachten over 't Gulden Vlies dat om de takken van den Boom der Kennis is gehangen; en naar ik vrees staat hij U niet zijn kleinood af om lachen van Uw schoonen mond of blikken van Uw oog, want niet een ieder is, als Ouraios, een edelmoedig koning.

60. O Lucifer, ik ga nu heen tot Asiah het verre Land; ik heb slechts eene bede. O mocht U zenden uit, veel schitterende herauten en laten roepen óp de Helden en de Goden, die met mij wagen dezen tocht; want ik ben jong en onervaren en gaarne hoor ik vriendestemmen om mij heen en zie ik edler oogen dan die van U en Uwe Broeders.

Sluiten