is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61. Toen lachten al de Broeders en daalden af van hunne tronen en kusten keer op keer den Koning van t Hart, zoodat Hij week in walging en met zijn mantel weerde hunne heete monden.

62. En Ouraios zond Englen uit met goudene bazuinen en alom op de transen van de eeuwige kasteelen, daar bliezen zij hun lange, lange galmen; doch niemand

kwam. .

63 Toen smeekte andermaal de Heiige Held en tot de Grenszee van 't Pleroma vlogen nu de vurige herauten en bliezen, dat de klanken zweefden over t water en kwamen honend dagen de Eonen, die treurden aan de stille vloeden.

64. Doch zoo zij hoorden deze klanken en verstonden hunnen zin, zoo wapenden zich velen in der haast en kwamen aangevlerkt tot waar d'herauten stonden en dezen brachten hen tot voor des helschen Konings

troon.

65. Daar vielen zij om Jazion te voeten, betastten hem en weenden lang en kusten hem in diepen ootmoed

en zij spraken:

66. Zoo Gij nu heengaat in de helle, en zoo Gij afdaalt in 't gevaar, wij zweren U met U te strijden, te weren

van U alle kwaad.

67. Een wonderheerlijk schip van ebbenhout en parelen werd uitgerust en opgeheschen werden al de purpren zeilen; de gele vanen wapten fier; geladen werd t schip met rijke gaven en met spijzen kostbaar voor

de hooge Helden. . ,

68. Nu gingen Jazion en zijn genoten trug tot aan Ouraios troon en groetend bogen zich voor zijne majesteit en wuifden hem tot weerzien.