is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59. Dan traden in 't schip de edele heroën; er waren kunstenaars, profeten, zangers ook en zonnehelden en Orpheus was er, Koning van de Lier en Phidias, wiens lof door alle eeuwen werd gezongen en andre namen hoorde nog mijn oor, die ik herdenk in zalige bewondring.

70. Orpheus en de wondervolle zangers met fier gezang en harpetonen wekten nu den moed der Argonauten en onder juichen, getrompet en 't schrille pijpen der daemonen stak 't prachtvol schip in zee, nadat de liefelijke Helden 't anker hadden ingehaald en opgehangen boven bronzen snebbe.

71. Daar rees in stralen Jazion de Vorst; zijn naakte leden praalden in gewaad van purpur, een helm van goud omglansde zijne blonde haren; een gouden beker greep Hij en staande bij den boeg, plengde den wijn en riep den Vader aan en bad om kracht en moed voor Hem en zijn genoten; en Hij riep aan, de Zee en al de wilde Winden en ook de duistere geheimnisvolle Nacht en smeekte toen om Licht op hunnen weg en wederkeer in 't edel Kareol.

72. En eindlijk riep Held Jazion: O Vader, ik, zoover van U; o toon mij éénmaal Uw Gelaat en geef een teeken, dat U met mij zijt en met mijn fiere Argonauten.

73. D^ar scheurden al de donkre hemelen uiteen en hij zag zijnen Vader op zijn hoogen zetel; Hij glimlachte en in een heerlijk licht steld' Hij een regenboog ten teeken des verbonds.

74. Toen gingen zij den gouden stroom die Liefde is en Jazion's baan door gansch Ouraios' rijk.