is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

LÈTHÈ

1. Doch Ouraios verrees van zijnen troon en zijn groen kleed viel van hem terneer en uit zijn keel steeg toen een hoonlach en Hij riep:

2. Gevangen in mijn netten is Held Jazion met zijn genoten en nimmermeer kan de heerlijkheid van Kareol aan mijnen lust ontijlen. Zie, welk een grooten arbeid nu door mij voltooid werd: uit God schiep ik mijn Rijk, het woeste; nu ga ik doode Wording kronen

met al-goddelijk Wezen.

3. Verzink o Argo, wees omtooverd; slaap in Held Jazion en uw genoten! Zink onder mij, gij wonderschip; daal onder mij in kou van helsche nachten.

4. Hier mijn daemonen, wiekt snel aan en hoort nu mijn bevelen:

5. Verbindt, verbindt, verbindt u in begeerte met elkaar, verdicht u om hen heen, omgrijpt elkaar, boort in elkaar, schuif in elkaar de luwe lijven, omwoelt, omslingert en omsliert elkaar en windt als in een kluwen vuurs de bewustelooze Argonauten.

6. Hier neem ik mijnen Bliksem en schiet hem door uw leden dat gij al en al omschitterd zijt van heete lusten. Wil in Liefde Jazion en zijne Roeiers, dringt dichter aan en op hen af. Omhels elkaar en neem elkander innig; en richt de oogen op d'Eonen, wrijf tegen hen uw wulpsche borsten en vorm om hen

een bol van vuur.

7. Hier neem ik mijnen Gouden Beker en giet het godlijk zaad terneer in woestenij van hemel-oceaan; van af de hoogten mijner tronen schiet ik terneer