is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zag zij naderen het edel Schip en riep aldus de Helden aan:

29. O Helden hoog, gij die daar slaapt en tot mij blikt met wonder-starre oogen, o, ziet gij Gaia niet, uw Moeder, en hoort gij niet haar weeklacht in uw oor?

30. De woeste zon heeft mij gebonden in zijn armen en zwangert mij met zijnen heeten glans en immer moet ik, moede, baren; en aldoor stijgt opnieuw 't heete

leven uit mijn flanken.

31. Ook moet ik smaad van Oceaan verduren die almaar zijne klamme leden strekt op mijne breede dijen en mij begiet met zijn te weeldrig nat.

32. O Jazion, gij die daar zwijgt en gij verstijfde Argonauten, die mij aanblikt met dieren-oog; doorgrondt me en redt me uit mijn weeë nooden.

33. Toen voer 't stille Argo heen en volgde steeds den weg; en zie een archipel van eilanden verrees, een schakel in de tijden, en op die oorden dreef een dikke zware atmosfeer en woeste stormen, donderbuien geeselden de grove wouden die het land bedekten.

34. Geen vogels leefden in de bosschen waar stilte als een wade hing geslagen over matelooze boomen en slechts insecten gonsden langs de stammen die torenhoog verrezen in de grauwe misten.

35. O treurnis van de natte aarde, zoo looden zwaar bedrukt van stikkend heete dampen ontvloeid aan uwe groeven; de regens slechts, 't huilen van de winden en formidable donderslagen storen uwen slaap.

36. Doch wonderbaarlijk zijn de ondoorgrondelijke wouden calamieten, de zuilengangen van de sigillarias; en onontwarbaar is 't netwerk van de varens; in ein-