is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omraasd van al 't geweld der spuwende vulcanen en nieuwe spleten werden opgereten in 't levend graf der vuurdaemonen en stroomen goud en zilver toonden hunnen glans.

56. De vorstelijke bergen stijgen immer hooger en beurtelings bedekt in spel de sombre zee de nauw gedroogde landen en gaat weer heen, komt andermaal terug en jaagt in woesten draf de toeterende mastodonten, de wilde zwijnen, hipparions, giraffen en gazellen de bergen in waar bliksem doolt om donderende kraters en asch bevrucht de kaal gebrande oorden.

57. Dan drogen uit de breede zeeën of vormen zich tot zoute meren wijd omzoomd van grazige valleien; daar weiden kudden groote koeien, daar knakt de reuzenluiaard boomen met zijn taaie armen; de drassige savanen dreunen van 't geloop der sivatheriën.

58. Tot in de polen strekken zich de wouden van magnolia's en immergroene eiken, de wonderparken vol van olmen, kamferboomen, esschen, clematiten, wijn, lianen, myrten en accacia's en hulst en ahornboom, en sombere cypressen hoog op zongebrande rotsen, en haagbeuk, banksia's en noteboomen; rozig bloesemende amandels, mimoza en trillende abeelen.

59. De dennewouden spiegelden hun takken in smaragden fjord en van de stammen drupte gouden hars in vette vloeden waar flamingo's, marabouts en pelikanen klapperden de harde snavels en waar in palmenwouden krijschten papegaaien dieprood, saffierblauw: betooverde juweelen.

60. Was 't dat de zon toen voor een oogenblik, voor enkle eeuwen, eens de oogen sloot of dat de aarde té ver tolde van haar vuurgen haard?