is toegevoegd aan uw favorieten.

De gouden poort

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61. Want zie, de nieuwe tijden brachten zondvloedregens mee en sabelende stormen en al de rotsen dekten zich met dikke mantels sneeuw en ijs.

62. En als een onweerstaanbaar stalen heir kwam van de starre bergen neergetogen de sneeuwge straling van de gletschers; ontzettende lawinen stormden door de dalen, de ijzige stroomen sneden èf de toppen van de hoogste bergen en legden ze terneder in de verre vlakten bij de zee.

63. En niets weerstond den marsch dier schitterende massa's; de woeste waatren stortten bruischend door de kloven, de eeuwge regens overstroomden al de landen; veel wollige mammouths werden opgesloten in het ijs en om de polen heeft de koude dood voor eeuwig helsche woning opgeslagen.

64. Doch toen kwam wisseling van warmte en van kou en eindlijk werden de klimaten vaster; de dieren daalden van de bergen en in de groene meeren tusschen de sonore rotsen bouwden menschen hunne lichte huizen.

65. Dan stierven eeuwenoude steden in de bleeke woestenijen, waar Tijd aan de oude Sfinxen knaagde en menig vastland werd verzwolgen door de zee met al zijn menschen en paleizen

66. En andermaal verrees de dag uit lichte zee; weg ijlden al de sterren; de gouden Hèlios steeg uit zijn duister bed en joeg den teeren aether in met zijne gulden rossen.

67. De waatren droegen een snel schip met edle purpren zeilen en vele roode riemen plasten woest in 't wemelen der golven.

68. Aan dek geheven stonden al de Argonauten, de gouden