Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

helmen op het hoofd, de purpren mantels om de stralend schoone leden; de gouden zwaarden trilden in de stoere handen; de gouden schilden hingen langs de boorden van 't schip en bloemfestoenen waren rondgeslingerd; en rozen vielen af in groene baren.

69. En al de Argonauten openden de luide keelen en zongen gouden liederen van geluk; sirenen zongen zwemmend om den boeg en blanke zwanen wiekten in den blos der luchten; dolfijnen dansten op de wit beschuimde kammen.

70. En Jazion rees op van zijnen gouden troon;

71. en Hij stond op en Orpheus reikte hem zijn gouden lier — nu rookten offers in de bronzen schalen — en Hij zong toen zijn bede tot de Zon en tot de Moeder Gaia:

72. O Hèlios; de zwaan, voorwaar, zingt melodieuze zangen, als opvliegt, hij, in rozenluchten; doch dieper zingt u en veel schooner, de hooge Dichter als hij rijzen ziet 't gouden vierspan boven donkerblauwe zee.

73. Daar stijgt gij Hèlios, gelijk onsterflijk god van zijn welriekend leger, uw felle oogen stralen woest van uit den gouden helm en uwe haren slaan om u een gouden glans.

74. Ik groet u Koning, en smeek u met deez zang: wees gunstig Hèlios, geef kracht, geef overwinning hen die togen door de sombre Lèthè.

75. En Gaia zing ik, aller Moeder, en Moeder van de innerlijke Goden; de Vrouwe van de heete Zon, want al dat op de aarde leeft of in de luchten vliegt of rondzwemt in de diepten van de zee, dat voedt zich aan Uw rijke borsten.

Sluiten